Na de regen
hoe stiller dat ik word hoe harder dat ik trap stampend in je maag op je tenen stap hoe dichter da je komt hoe vager da je voelt en je de kus op m'n mond als 'n kaakslag bedoelt
hoe dichter je me trekt hoe verder ik je stamp hoe minder dat je krijgt hoe harder da je klampt hoe ijler dat ik word verdampend in de lucht verstarrend en bevroren tot je me kotsend uitkucht
en de wind waait hard hard tegen de ruiten de luiken slaan de gevel stuk en ik mis je alsof het niet zou mogen mis ik heel verlegen een vaste hand de tango na de re-regen
en ik wist het wel hoe zacht je bent met harde woorden terwijl ik je zie denken hoe je me het liefste zou vermoorden ik wist het wel hoe mooi je naar me lachen kon en zien hoe ik me voel en precies die dingen luidop zeggen die ik stiltjes bedoel ik wist het wel
en ik mis de dagen van samen zot te lopen waarvan de botten bloot liggen te bleken op bergen en bergen en hopen en hopen en alles loopt door elkaar grenzen en noemen onderscheiden elkaar met veel zin en goesting tot verrukkingen maar ik staar met 'n verboden macht naar 'n nostalgisch gedacht niet echt, niet mooi, en niet waar
en de wind waait hard hard tegen de ruiten de luiken slaan de gevel stuk en ik mis je alsof het niet zou mogen mis ik heel verlegen een vaste hand de tango na de re-regen
maar wat met de vuisten die op iets willen slaan de stem die wil schreeuwen op voeten die uit vluchten gaan in 'n arena vol leeuwen wat met de armen die strelingen geven wat met de vingers die kraken wat met het hart die wil leven en leven en leven ma de lever die alleen maar wil staken wat met de nagels die breken de haren die vallen en vallen en vallen de angel blijft steken, weken en weken de neuzen die bloeden, tientallen wat met de schalen die wegen en wegen van het stof die blijft dalen tot een waas voor de zon terwijl de borstels opvegen en vegen en vegen ma geen dweil die zich zo wringen kon waar zijn de schilders en dansers gebleven de strijders, de zangers, de bouwers de schrijvers, de passers, de bouwers?!
de duivel ligt in m'n kistje omgekeerd grijnst hij gevaar de horens kruipen uit zijn woeste hoofd en als 'n wormhoop krioelt zijn haar krioelt zijn haar en mijn hoofd houdt zich gaande tolt en spreekt en draait maar door wurtelt, palavert, droomt in koor spint en denkt en ratelt voort tot het zelfs de buren stoort
en de wind waait hard hard tegen de ruiten de luiken slaan de gevel stuk en ik mis je alsof het niet zou mogen mis ik heel verlegen een vaste hand de tango na de re-regen
